Opnames Schubertliederen in juni 2019

Bijgewerkt: apr 15

In het laatste weekend van juni 2019 zijn we begonnen met de integrale opnamen van de liederen van Franz Schubert. We hebben in drie dagen de liederen van opus 1 tot en met opus 7 opgenomen.

Voor de meeste liederen hebben een fortepiano uit 1815 gebruikt. Het instrument is in Wenen gebouwd door Joachim Ehlers. Omdat we vanwege de transposities voor de stem soms lagere toonsoorten moesten gebruiken hebben we ook een later instrument gebruikt. De vroege fortepianos hadden een kleinere omvang dan de latere instrumenten. Er ontbreken dan meestal basnoten. De Conrad Graf uit 1827 beschikt wel over die lagere bastonen.


De opname van het lied Erlkönig op. 1 D 328 door Jasper Schweppe en Riko Fukuda.


Bij de voorbereiding van de opnamen hebben we verschillende uitgaven van de liederen met elkaar vergeleken. Deze zijn grotendeels online te raadplegen: op IMSLP vind je de meest gangbare uitgaven; die van Peters verzorgd door Max Friedlaender (1852-1934), en die van Breitkopf & Härtel verzorgd door Eusebius Mandyczewski (1857-1929). Ook hebben we gekeken naar de handschriften en eerste drukken die te vinden zijn op www.schubert-online.at en de uitgave van Die Schöne Müllerin die de uitgeverij van Anton Diabelli in 1830 verzorgde. Daarin heeft de met Schubert bevriende zanger Johann Michael Vogl (1768-1840) veranderingen en ornamenten verwerkt.

Onze opnamen hebben we gebaseerd op de nieuwste uitgave van Bärenreiter: de Urtext der Neuen Schubert-Ausgabe Band 1, verzorgd door Walter Dürr (1932-2018). We hebben deze uitgave vergeleken met de handschriften van Schubert, voor zover die voorhanden waren. We hebben op basis van die handschriften kleine dingen gewijzigd ten opzichte van de uitgave van Bärenreiter. Ervan uitgaande dat Bärenreiter de beste uitgave tot nu toe heeft verzorgd, vallen er toch kleine dingen op ten aanzien van dynamische aanwijzingen en articulaties. Ook hebben we, per lied, informatie gevonden over de tekst, de muziek en musicologische details in het Schubert Liedlexikon, verzorgd door Walther Dürr, Michael Kube, Uwe Schweikert, Stefanie Steiner en Michael Kohlhäufl (uitgave Bärenreiter).

Het is bijzonder interessant om te zien welke ornamenten en ritmische veranderingen Vogl in de liederen van Schubert heeft aangebracht (zie ook het artikel van Walter Dürr over Schubert en Vogl in 19th Century Music). Schubert heeft Vogl goed gekend, en veel liederen speciaal voor hem gecomponeerd. Het is daarom aannemelijk dat die versieringen door Schubert toegestaan werden. De beide heren hebben vaak samen opgetreden en beiden waren door elkaars werk zeer geïnspireerd. Het was in die tijd waarschijnlijk gebruikelijk om kleine ritmische variaties en ornamenten toe te voegen.

Bij onze opnamen hebben we daarom getracht om in de stijl van Vogl te ornamenteren. Ook zijn bij een aantal liederen eenvoudige voorspelen toegevoegd. De liederen van Schubert zijn soms zonder voorspel overgeleverd, maar het was heel gebruikelijk dat de pianist enkele maten voorspel improviseerde (zie voorwoord in de Urtext der Neuen Schubert-Ausgabe Band 1).









De opnamesessie op 29 juni 2019 met Riko Fukuda, Maria Valdmaa, Eugeen Liven d'Abelardo en Marius van Altena


Als je de handschriften vergelijkt met de gedrukte versie, dan valt op dat er geen duidelijk onderscheid is tussen accenten en diminuendo- of decrescendo-tekens. In het handschrift gebruikt Schubert voor een accent een heel teken dat verward kan worden met een diminuendo- of decrescendo-teken. Al bij de eerste drukken is het dan ook als decrescendo geïnterpreteerd. Waarschijnlijk hadden ze niet de mogelijkheid om een accent boven een noot te plaatsen. Bärenreiter doet dit tegenwoordig heel goed, maar op sommige plaatsen wijkt het handschrift toch af van de druk. De vraag is hoe je er dan mee om moet gaan. Ik wil niet zonder meer het handschrift laten prevaleren boven de uitgaven. Er zijn immers altijd meerdere bronnen waarop Bärenreiter zijn uitgaven baseert. Je mag ervan uitgaan dat de uitgever de meeste kennis van zaken heeft, maar toch zijn er soms evidente afwijkingen in de druk ten opzichte van het handschrift. We hebben zo nu en dan het handschrift de voorkeur gegeven.


Het gebruik van dynamische tekens is sowieso een interessant onderwerp. Behalve op drie plaatsen (maat 22 van Memnon en maat 90 en 91 in Die abgeblühte Linde) schrijft Schubert géén dynamiek in de zangstem in de liederen van opus 1 tot en met opus 7. Bij onze opname hebben we ervoor gekozen met de zangstem altijd zoveel mogelijk de dynamiek van de fortepiano te volgen. Soms is het moeilijk omdat het met elkaar conflicteert. Bijvoorbeeld als aan het eind van een P-frase de piano een F-inzet heeft, terwijl de vocale lijn af fraseert. Ook begint de zangstem geregeld met een opmaat, lang of kort, en dan staat de dynamiek in de piano soms een paar tellen later. We hebben dan telkens die dynamiek in de zangstem vooruit genomen. Wat bovendien opvalt is dat Schubert heel vaak PP en PPP voorschrijft. Van de nu opgenomen liederen van opus 1 tot en met 7 begint alleen Erlkönig met een F. Verreweg de meeste liederen beginnen met PP en blijven met hun basisdynamiek steeds P, PP en PPP. Het is voor mij een opmerkelijke constatering. Vond Schubert wellicht dat de fortepiano luid klonk? Of speelde men doorgaans alles luid? Het zijn vragen waar we wellicht meer antwoorden op krijgen bij de volgende opnamen.

0 keer bekeken
  • YouTube
  • Facebook
  • Instagram